Zweden is het land van Pippi Langkous, beren, trollen en de Dalapaardjes. En van overdonderend mooie landschappen, natuurlijk. J/M-redacteur Marilse maakte met haar gezin een avontuurlijke autorondreis via Göteborg, Säfsen, Grönklitt, Herfallet en ten slotte Stockholm.
Op het achterdek van de Stena Line proppen we ons met z’n vijven in twee luie dekstoelen. We zijn niet het enige gezin. Links en rechts wiebelen kinderen met felgekleurde Crocs op de schoot van sportieve ouders met ANWB-afritsbroeken. ‘Gáán we nou eindelijk?!’
In een optocht van stationwagens en andere praktische gezinsauto’s rijden we de volgende ochtend rond negen uur in Göteborg van boord. We hebben een Zweden-reis geboekt, waarbij we gedurende tweeënhalve week drie verschillende vakantieparken zullen aandoen. De reis is voor ons een avontuur. Normaal gesproken zijn wij geen grote fan van dit soort oorden – geef ons maar een oud Bretons huis in een achterlijk gehucht waar je na een uurtje lopen bij zee bent. Maar deze huisjes zagen er op de site goed uit, en je mag toch aannemen dat zo’n vakantiepark in Zweden royaal is opgezet. Waar ik ook van gecharmeerd ben, is de zekerheid dat deze parken in een mooi gebied zitten, met veel bootjesverhuur- en wandelmogelijkheden. Dat was namelijk moeilijk te organiseren tijdens onze vorige vakantie in Zweden.
‘Diep in het bos, maar dichtbij alles wat je nodig hebt,’ vertelt de folder over onze eerste bestemming Säfsen. De lijst met vermaak – consequent aangeduid als een experience – is eindeloos: mountainbiken, vislessen, paardrijden, roeien, zwemmen, wandelen, een rendiersafari, een wandeling met trollen… De jongens – Jan (13), Thomas (10) en Gideon (5) – reageren met veel instemmende ‘vèèeet’ en ‘cool’ geluiden. Dat geeft alvast hoop. Misschien blijven er voor ons wel zeeën van tijd over om een boek te lezen.
‘Moeten we nou écht steeds kijken, mam?’ vraagt Gideon als ik voor de zoveelste keer jubelend wijs op die prachtige roodhouten boerderijen die zó in Astrid Lindgrens Bolderburen zouden kunnen staan. Later verandert het glooiende, groene Bolderburen-landschap in dat van Ronja de Roversdochter: veel berkenbossen en naaldbomen.
Het huisje dat we toegewezen krijgen, oogt vertrouwd. Hoera, in Zweden hebben ze ook een Ikea! Ik inspecteer de veranda en zie dat de buren net aan tafel gaan. In de stromende regen halen de jongens een zak haardhout in de kampwinkel.
Roeien, bosbessen, houtsnijden
Hoewel het de volgende dag nog steeds regent, gaat de trollensafari toch door. ‘Maar ik wil écht niet,’ roept Gideon keer op keer. Ik onderdruk nog net op tijd een sissend ‘dit is leuk, hoor!’. Waar ben ik in vredesnaam mee bezig? Dan maar paardrijden. Deze excursie blijkt echter vol te zitten tot de dag dat we vertrekken. We besluiten te gaan wandelen. Gewoon de rode kruisen volgen, is het devies.
We hebben het kampterrein nog maar nauwelijks verlaten als ik Thomas opeens hoor roepen: ‘Gatver, deze aardbeien smaken naar aardbeienkauwgom!’ Het is waar. De vele bosaardbeien die langs het weggetje staan, hebben zoveel smaak en ruiken zo zoet dat je bijna niet kunt geloven dat ze echt zijn. Voor mij kan de dag niet meer stuk. Maar de grond blijkt zo drassig, dat we nog geen kilometer van de rode kruisenroute gelopen hebben of Thomas en Gideon hebben al drijfnatte voeten. En ik dacht dat die bergschoenen nog wel een maandje meekonden!
Niet getreurd, op Säfsen is er altijd wel een andere experience. We hozen een roeiboot leeg en varen goedgemutst naar een eiland midden in een idyllisch meer dat omringd wordt door dennenbomen. Ik kan mijn hart weer ophalen; het hele eiland staat vol bosbessen. Nu wordt de oervrouw in mij echt wakker. Verwoed begin ik te plukken en moedig iedereen aan hetzelfde te doen. Maar de mannen haken al snel af. Ze pakken hun zakmessen en gaan vikingbootjes maken. Stukje boombast, gaatje erin kerven, stokje erdoor en een paar bladeren als zeil.
Om half vijf racen Jan en Thomas in hun natte zwembroeken terug naar ons huisje. De klimmuur! Ze waren het bijna vergeten. Samen met mijn jongste kijk ik naar groepjes vaders die voor het eten nog even een potje voetballen met hun zonen. ‘Die man heeft zich denk ik verkleed als coach,’ wijst Gideon op een corpulente vader in een glimmend trainingspak, die driftig aanwijzingen geeft.
Met nieuwe Zweedse bergschoenen aan doen we later opnieuw een wandelpoging. Tien kilometer lang volgen wij de rode kruisen door de sprookjesachtige bossen. Af en toe is er een open veldje met lieflijke bloemetjes. ‘Dit is best een vette wandeling,’ merkt Thomas – niet echt een wandelfanaat – terloops op. Hij heeft gelijk. We komen van die fijne hindernissen tegen, zoals zompige stukken grond waar je over boomstammen moet klimmen en over planken balanceren. En je kunt de hele weg lang bosbessen eten. Gideon beschouwt het als één grote speurtocht. ‘Jáááa, weer een kruis!’ En wat doe je na tien kilometer wandelen? Midgetgolfen natuurlijk.
Bijlen en beren
Op naar het tweede huis. Dit keer in Orsa Grönklitt, een ruig gebied met hoge dennenbomen. Orsa Grönklitt grenst aan het grootste berenpark ter wereld en ligt aan de voet van Tomteland, het land van de kerstman. De omgeving is hier ruiger, de huisjes zijn charmant maar iets eenvoudiger ingericht dan in Safsen. Wel zijn ook hier veel buren – en Nederlandse nummerborden.
Grönklitt blijkt een waar mannenparadijs. De tocht op quads (van die motorachtige vierwielers waarmee je door de natuur kunt crossen) die Tina van de receptie mij van harte aanraadt – ‘We hebben ook quads voor jonge kinderen’ – houd ik tegen. Maar aan het bijlen gooien en schieten met blaaspijpen valt niet te ontkomen. Hun prestaties breed uitmetend keren de jongens terug van deze heldhaftige activiteiten. Ze eten met veel genoegen van de peperkoek die Gideon en ik hebben gemaakt van het kant-en-klare peperkoekzelfbakpakket uit de supermarkt. Er schijnt een voorzichtig zonnetje, we drinken koffie op de veranda van ons huisje. Jan snijdt een houten poppetje met zijn nieuwe mes en Thomas en Gideon beschilderen kaarten. Ik zou het liefst de hele middag zo blijven zitten.
Maar dat gaat niet, we moeten nog naar het berenpark. Björn (= beer in het Zweeds), onze gids, loodst ons langs de gigantische hekken en merkt tussen neus en lippen op dat de bossen in Zweden nog volzitten met beren. Dat is niet eng, beren eten bosbessen. Sterker nog, afhankelijk van de hoeveelheid bosbessen in de zomer krijgen ze in het voorjaar daarna één, twee of drie jongen. Hiervoor paren de vrouwtjes met zoveel mogelijk mannen, om ze stuk voor stuk het gevoel te geven dat zij de verantwoordelijke zijn. Dat is wel zo veilig voor het nageslacht, want als de man het vrouwtje niet herkent, valt hij haar jongen aan. Echte mannen, die Björns!
Kanoën, marshmallows, paardrijden
De dagen die volgen vullen we met kanoën, vuurtjes stoken langs het meer, stokbrood bakken, worstjes en marshmallows roosteren en vissen. En hoera, dit keer lukt het wel om te gaan paardrijden. Op mooie IJslanders rijden Jan, Thomas en ik samen met onze 65-jarige gids Ulla door het meest Zweedse landschap dat je je maar kunt voorstellen. En al moeten we als totaal onervaren ruiters een uur lang stapvoets gaan, ik baal oprecht als ik de paardenboerderij weer in de verte zie opdoemen. ‘s Avonds eten we de typisch Zweedse kött-balletjes – ‘Hóe spreek je dat uit, mama?’ – en veel lekkere vis, waaronder de regenboogforel die Jan in de kweekvijver ving.
Peperkoek en Villa Kakelbont
De laatste bestemming is Herfallet, een stuga ofwel vakantiehuttendorp in een natuurreservaat, op zo’n twee uur rijden van Stockholm. Als afscheid van de Dalarnastreek brengen we onderweg nog een bezoek aan de fabriek waar de Dalarnahästen gemaakt worden; de vrolijk beschilderde houten paardjes die gezellige Zweedse vaders vroeger, na het bomen omhakken, voor hun kinderen sneden op de veranda van hun huizen met hartjes in de luiken.
Omdat we nu toch in de peperkoeksfeer zijn, rijden we ook nog langs het huis van de schilder Carl Larsson. Hij richtte circa honderd jaar geleden zijn kamers zó in dat ik er, zonder iets te veranderen, meteen in zou willen trekken.
Als we de volgende dag wakker worden in Herfallet schijnt de zon voor het eerst uitbundig. We rijden met de auto naar Stockholm. Wat een mooie stad! We varen met een hop-on-hop-offboot naar de historische binnenstad en daarna naar het kinderboekenmuseum Junibacken. Het kaartje is zo gekocht, maar dan volgt een lange rij. We hebben geen idee waar we op wachten. De kinderen vermaken zich in een soort open kijkdoos. Wij vermaken ons met het begluren van de Zweedse ouders en constateren dat ze net zo stereotiep zijn als wij Nederlanders, ook al doet de Zweedse marketing ons graag iets anders geloven: papa staart met wazige blik in de verte, mama staat de ongeduldig jengelende kinderen te woord.
Na een half uur wordt duidelijk dat we in de rij staan voor een treintje, dat ons meeneemt door de wereld van Astrid Lindgren. ‘Welke taal?’ vraagt de gids en hij start het Nederlandse bandje. We beginnen bij Madieke van het Rode Huis, komen langs de bossen van Ronja de Roversdochter, passeren Villa Kakelbont en Bolderburen, zien de houten poppetjes in het schuurtje van Michiel van de Hazelhoeve en glijden langs het Nagijala van de Gebroeders Leeuwenhart. Eenmaal buiten gaat het nog een half uur over: ‘Weet je wat ik het mooist vond?’ Mochten we nog maar een rondje in de trein!
Lekker niks doen
Op de laatste dag in Herfallet schijnt de zon wéér. ‘Gaan we vandaag nergens naartoe?’ vraagt Jan hoopvol. Wat heerlijk om te constateren dat er ook aan hun hang naar vermaak grenzen zitten. We blijven de hele dag bij het prachtige meer vol kleine rotseilandjes. Gideon staat als een reiger in het water en doet verwoede pogingen visjes te vangen met zijn blote handen. Jan roept intens tevreden dat hij ‘met een vet slechte steen wel drie keer kan keilen’. Thomas legt de waterfiets voor anker en Bastiaan en ik zwemmen naar het verste eiland dat bij nader inzien geen tien, maar eerder dertig minuten zwemmen is.
Na drie keer de nieuwe The best of ABBA-cd afgespeeld te hebben, rijd ik de volgende dag met de auto de Stena Line op, om me heen vier bassende ‘Supapa-troopapa’ mannen. Wil ik nog een keer terug naar Zweden? Jazeker! Wát een prachtig land. Maar de volgende keer is één week in een vakantiepark leuk genoeg. Geef mij maar een afgelegen, rood houten huisje aan de rand van een meer. Bootje erbij, steigertje, vissende kinderen… Ik krijg er nu al zin in.
Heb je ook zin gekregen om naar Zweden te gaan? J/M biedt in samenwerking met Buro Scandinavia een avontuurlijke en afwisselende reis aan, geschikt voor het hele gezin! Lees verder
Tekst: Marilse Eerkens





J/M stuurt elke week op woensdag een digitale nieuwsbrief rond met daarin onderwerpen die interessant zijn voor alle ouders.


